ECLI:NL:CRVB:2020:2471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig afsluiten zorgverzekering ondanks bezwaar
Appellant werd door het CAK op 31 juli 2017 een boete van €382,50 opgelegd omdat hij niet binnen drie maanden na een aanmaning van 24 april 2017 een zorgverzekering had afgesloten. Het bezwaar van appellant tegen deze boete werd op 6 december 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond en stelde vast dat appellant verplicht was een zorgverzekering af te sluiten en dit niet tijdig had gedaan.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn contactpersoon bij de gemeente Rotterdam had bevestigd dat alles geregeld was en dat de gemeente de boete zou betalen vanwege een fout van de gemeente. Ook stelde appellant dat hij vanwege het ontbreken van een vaste woon- en verblijfplaats niet in staat was een verzekering af te sluiten en dat hij pas vanaf oktober 2017 een bijstandsuitkering ontving.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig afsluiten van de verzekering. De door appellant genoemde mededelingen van de contactpersoon waren niet onderbouwd. Ook was appellant ingeschreven in de basisregistratie personen en woonde hij bij een vriend. Verder was er geen grond voor een lagere boete op grond van bijzondere omstandigheden, mede omdat appellant in mei 2017 een voorschot had ontvangen en vanaf oktober 2017 een bijstandsuitkering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering wordt bevestigd.