ECLI:NL:CRVB:2020:2473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in terugvordering bijstand wegens aangetroffen contant geld
Verzoeker en verzoekster zijn betrokken bij een geschil met het college van burgemeester en wethouders van Arnhem over terugvordering van bijstand die is toegekend ondanks het aantreffen van een groot bedrag contant geld in de woning van verzoeker in 2008. Het college vorderde terugbetaling van bijstand over de periode 2011 tot 2018, gebaseerd op de Participatiewet.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen van verzoekers tegen deze terugvorderingsbesluiten ongegrond. Verzoekers stelden dat het geld deels toebehoorde aan derden en dat zij er niet vrij over konden beschikken, en vroegen om een voorlopige voorziening om het beslag op het geld op te heffen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen actueel spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers konden in hun levensonderhoud voorzien en er was geen acute dreiging van bijvoorbeeld huisuitzetting. De procedure kon worden afgewacht zonder onherstelbare schade. Het verzoek werd daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt dat het verzoek om voorlopige voorziening niet bedoeld is om de bodemprocedure te bespoedigen zonder dat er sprake is van een urgente situatie. De verstoorde familieverhoudingen en de slepende procedure rechtvaardigen geen voorlopige maatregel.
De voorzieningenrechter deed de uitspraak buiten zitting en wees het verzoek af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.