ECLI:NL:CRVB:2020:2570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wajong-uitkering ten onrechte verlaagd wegens onjuist arbeidsvermogen
Appellant ontvangt sinds 2014 een Wajong-uitkering wegens psychische problematiek en een lichte verstandelijke beperking. Het UWV verlaagde in 2018 de uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon op basis van een herbeoordeling waarin werd vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onder voorwaarden kan werken, met begeleiding en in een beschutte werkomgeving. Appellant stelde in hoger beroep dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en dus recht heeft op een hogere uitkering.
De Raad oordeelt dat de intensieve en persoonlijke begeleiding die appellant nodig heeft, verder gaat dan wat binnen een arbeidsorganisatie met een leidinggevende of jobcoach mogelijk is. Hierdoor is sprake van duurzaam geen arbeidsvermogen. Het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze overwegingen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De Raad stelt dat tegen de nieuwe beslissing alleen bij hem beroep kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de Wajong-uitkering wordt vernietigd omdat appellant duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.