Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van appellant tot een bedrag van € 28,78.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1995 in dienst bij de politie en werkzaam als rechercheur, vorderde plaatsing in een hogere functie op grond van de hardheidsclausule van artikel 55v Barp, vanwege vermeende discriminatie en gemiste kansen op promotie. De korpschef had appellant geplaatst in de functie Generalist Tactische Opsporing, schaal 7, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten van de korpschef ongegrond en wees het beroep op de hardheidsclausule af. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De Raad oordeelde dat de door appellant aangevoerde discriminatie onvoldoende aanleiding gaf om te concluderen dat sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard die rechtvaardigt af te wijken van het functieplaatsingsbeleid.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn deels gehonoreerd. De rechterlijke fase duurde ruim twee maanden langer dan toegestaan, waarvoor een immateriële schadevergoeding van € 500,- werd toegekend. De Staat werd tevens veroordeeld in de proceskosten van appellant.
De Raad benadrukte dat eerdere in rechte onaantastbare besluiten als gegeven worden beschouwd en dat appellant onvoldoende concrete vergelijkingen met collega’s aanvoerde. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; bevestiging plaatsing in functie schaal 7 en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.