ECLI:NL:CRVB:2018:3601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening bijstandsbesluit na aanslag inkomstenbelasting
Appellante had een bijstandsuitkering ontvangen waarbij maandelijkse betalingen uit een MeerWaardehypotheek als inkomen werden aangemerkt. Na een aanslag inkomstenbelasting over 2011 vroeg zij het college om herziening van het bijstandsbesluit op grond van deze aanslag, stellende dat deze aanslag nieuwe feiten bevatte die tot een hogere bijstand zouden moeten leiden. Het college wees dit verzoek af op basis van artikel 4:6 Awb Pro, omdat de aanslag geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de aanslag wel degelijk nieuwe feiten bevatte en dat de redelijke termijn was overschreden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het inkomensbegrip in de WWB afwijkt van dat in de fiscale wetgeving en dat de aanslag niet relevant is voor de WWB-toepassing. De aanslag kon daarom niet als nieuw feit worden aangemerkt.
Verder concludeerde de Raad dat de procedure binnen de redelijke termijn van vier jaar was afgerond, zodat geen grond bestond voor schadevergoeding wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het bijstandsbesluit op grond van de aanslag inkomstenbelasting wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.