Uitspraak
19 777 ZW
PROCESVERLOOP
mr. M.W.L. Clemens.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was in dienst bij een ex-werkgever die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet. Na een eerste ziekmelding op 29 juli 2017 volgde een herstelmelding en vakantie, waarna appellant op 22 augustus 2017 opnieuw ziek werd gemeld. Het Uwv stelde het dagloon vast op basis van een referteperiode van 10 oktober 2016 tot en met 18 juni 2017, met 29 juli 2017 als eerste ziektedag. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, onder meer omdat hij meende dat de ziekteperioden niet samengeteld mochten worden en dat onregelmatigheidstoeslag (ORT) achteraf niet correct was meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv de referteperiode correct had vastgesteld en dat de ORT terecht niet was meegenomen buiten de referteperiode. In hoger beroep voerde appellant aan dat de ziekmeldingen niet uit dezelfde oorzaak voortvloeiden en dat de ORT onredelijk niet werd toegerekend.
De Raad oordeelde dat de wet duidelijk voorschrijft dat tijdvakken van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, moeten worden samengeteld, ongeacht de oorzaak, tenzij het gaat om aansluitende Wazo-uitkeringen. De wet biedt geen ruimte voor afwijking in appellant's geval. Ook het bezwaar tegen de niet-toerekening van de achteraf betaalde ORT faalde, omdat de systematiek van het Dagloonbesluit dit voorschrijft en geen hardheidsclausule bevat.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het dagloon van €115,14 wordt bevestigd.