Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2593

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
27 oktober 2020
Zaaknummer
19/777 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZWArt. 15 ZWArt. 12b Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 12d Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 63a ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling dagloon bij opvolgende ziekteperioden met korte onderbreking

Appellant was in dienst bij een ex-werkgever die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet. Na een eerste ziekmelding op 29 juli 2017 volgde een herstelmelding en vakantie, waarna appellant op 22 augustus 2017 opnieuw ziek werd gemeld. Het Uwv stelde het dagloon vast op basis van een referteperiode van 10 oktober 2016 tot en met 18 juni 2017, met 29 juli 2017 als eerste ziektedag. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, onder meer omdat hij meende dat de ziekteperioden niet samengeteld mochten worden en dat onregelmatigheidstoeslag (ORT) achteraf niet correct was meegenomen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv de referteperiode correct had vastgesteld en dat de ORT terecht niet was meegenomen buiten de referteperiode. In hoger beroep voerde appellant aan dat de ziekmeldingen niet uit dezelfde oorzaak voortvloeiden en dat de ORT onredelijk niet werd toegerekend.

De Raad oordeelde dat de wet duidelijk voorschrijft dat tijdvakken van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, moeten worden samengeteld, ongeacht de oorzaak, tenzij het gaat om aansluitende Wazo-uitkeringen. De wet biedt geen ruimte voor afwijking in appellant's geval. Ook het bezwaar tegen de niet-toerekening van de achteraf betaalde ORT faalde, omdat de systematiek van het Dagloonbesluit dit voorschrijft en geen hardheidsclausule bevat.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het dagloon van €115,14 wordt bevestigd.

Uitspraak

19 777 ZW

Datum uitspraak: 22 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2019, 18/2235 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 10 oktober 2016 op basis van een arbiedsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar in dienst getreden bij [BV] (ex-werkgever) als centralist. Op 29 juli 2017 heeft appellant zich ziek gemeld. Met ingang van 31 juli 2017 is hij hersteld gemeld en van 31 juli 2017 tot en met 20 augustus 2017 heeft hij vakantiedagen opgenomen. Op 21 augustus 2017 heeft appellant zijn werk hervat en heeft de ex-werkgever gemeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Op 22 augustus 2017 heeft appellant zich wederom ziek gemeld. Het dienstverband is op 9 oktober 2017 geëindigd.
1.2.
Bij besluit van 9 april 2018, gericht aan appellant, heeft het Uwv een dagloon van € 115,14 vastgesteld in verband met door de ex-werkgever, die eigenrisicodrager is, te betalen ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 28 mei 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de referteperiode in overeenstemming met artikel 15 van Pro de ZW en artikel 12b van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) heeft vastgesteld op de periode 10 oktober 2016 tot en met 18 juni 2017, waarbij het Uwv is uitgegaan van 29 juli 2017 als eerste ziektedag. Daarnaast heeft het Uwv volgens de rechtbank bij de berekening van het dagloon terecht geen rekening gehouden met de door de werkgever achteraf betaalde onregelmatigheidstoeslag (ORT). Het uitgangspunt voor de vaststelling van het dagloon is in beginsel de opgave van het genoten loon door de werkgever in de polisadministratie (Suwinet). Dit uitgangspunt heeft de Raad meermaals bevestigd. De rechtbank constateert dat het Uwv de berekening van het dagloon hierop heeft gebaseerd. Appellant heeft de gegevens uit de polisadministratie niet betwist. De rechtbank heeft geen ruimte gezien om appellant te volgen in zijn standpunt dat het Uwv rekening had moeten houden met de buiten de referteperiode achteraf betaalde ORT.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de ziekmelding op 29 juli 2017 in verband met hoofdpijnklachten niets te maken had met de ziekmelding op 22 augustus 2017. Appellant stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW, geen sprake is van het samentellen van tijdvakken als de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Appellant verwijst naar een e-mail van zijn ex-werkgever van 10 juli 2018. Als het Uwv was uitgegaan van 22 augustus 2017 dan was ook de ORT op een juiste wijze bij de dagloonberekening meegenomen. Het is, volgens appellant, sowieso onredelijk dat de betaalde ORT niet wordt toegerekend aan de periode waarop de ORT betrekking heeft. Hij wordt benadeeld omdat de ORT achteraf wordt betaald.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Bij het samentellen van tijdvakken op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW is de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid enkel en alleen van belang voor de samentelling van tijdvakken van arbeidsongeschiktheid vóór en ná een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Deze situatie doet zich hier niet voor.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 29, vijfde lid, van de ZW, voor zover van belang, luidt als volgt:
Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken met dien verstande dat het tijdvak zes weken bedraagt indien de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag dat de verzekerde de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt. Voor het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde tijdvak worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. (….).
4.2.
In geschil is de hoogte van het dagloon dat bepalend is voor de hoogte van het ziekengeld dat de eigenrisicodragende ex-werkgever aan appellant moet uitkeren bij ziekte. Een beslissing hierover is voorbehouden aan het Uwv op grond van artikel 63a ZW en artikel 2 van Pro de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW.
4.3.1.
Het standpunt van appellant dat op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW, geen sprake is van het samentellen van tijdvakken als de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, wordt niet gevolgd. De wettekst is helder: bedoelde samentelling heeft alleen betrekking op tijdvakken die direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin en Wazo-uitkering wordt genoten; verder blijkt dit ook uit de wetsgeschiedenis. Het slot van de tweede zin “of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak”, is pas na de invoering van de Wazo met ingang van 1 september 2005 aan het artikellid toegevoegd (wet van 3 februari 2005, Stb. 2005, 65).
4.3.2.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is de oorzaak van de ongeschiktheid in deze procedure niet van belang. Voor het standpunt van appellant dat dit onevenredig voor hem uitpakt en dat dit anders gelezen moet worden in zijn geval, biedt de wet geen ruimte.
4.3.3.
Nu sprake is van tijdvakken van ongeschiktheid tot werken die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, moeten deze worden samengeteld. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv bij de berekening van het dagloon terecht is uitgegaan van 29 juli 2017 als eerste ziektedag en van een referteperiode die loopt van 10 oktober 2016 tot en met 18 juni 2017.
4.4.
Ook de beroepsgrond van appellant dat het onredelijk is dat de betaalde ORT niet wordt toegerekend aan de periode waarop de ORT betrekking heeft en hij wordt benadeeld omdat de ORT achteraf wordt betaald, slaagt niet. Zoals ook door de rechtbank is geoordeeld, is in vaste rechtspraak over artikel 12d, eerste lid van het Dagloonbesluit geoordeeld dat deze toepassing van het Dagloonbesluit door de besluitgever is voorzien en dat deze er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak.
Verwezen wordt onder andere naar de uitspraak van 1 augusus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2347. Het Dagloonbesluit biedt daarnaast geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Het is aan de besluitgever om eventuele ongewenste effecten van de in het Dagloonbesluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen. Datzelfde geldt evenzeer in situaties waarin toepassing van deze systematiek leidt tot een voor de werknemer gunstig resultaat (zie de uitspraak van de Raad van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2091). Het Uwv heeft het dagloon dan ook terecht vastgesteld op € 115,14.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2020.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) H. Spaargaren