Appellante was sinds 2008 in dienst bij het RIVM en volgde een B-opleiding met studiefaciliteiten. Na meerdere functioneringsgesprekken en een langdurige arbeidsongeschiktheid werd haar een disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens beschuldigingen aan het adres van een leidinggevende die niet werden ingetrokken.
De minister legde het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer na vaststelling van nieuw ernstig plichtsverzuim, waaronder het niet opvolgen van dienstopdrachten en het betwisten van bevoegdheden van haar leidinggevende. Appellante voerde onder meer aan dat haar handelen mede werd beïnvloed door haar partner en dat haar ziekte een belemmering vormde.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim toerekenbaar was en dat de minister terecht ordemaatregelen had getroffen ondanks het advies van de bedrijfsarts. Verder was er geen reden om af te zien van tenuitvoerlegging van het strafontslag. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en de verzoeken tot proceskostenveroordeling werden afgewezen.