ECLI:NL:CRVB:2020:2774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd en terugvordering onverschuldigde ZW-uitkering
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich op 18 april 2016 ziek. Zij ontving aanvankelijk een WW-uitkering, waarna het UWV haar een Ziektewet-uitkering toekende. Op 4 april 2017 besloot het UWV de ZW-uitkering te beëindigen per 18 mei 2017, omdat appellante meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen. Appellante maakte hiertegen geen bezwaar. Desondanks betaalde het UWV de ZW-uitkering door tot 15 april 2018, waarna appellante een WIA-uitkering aanvroeg. Het UWV weigerde deze omdat de vereiste wachttijd van 104 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid niet was vervuld.
Het UWV vorderde ook de ten onrechte betaalde ZW-uitkering terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het doorbetalen van de ZW-uitkering geen recht gaf op voortzetting en dat terugvordering terecht was omdat appellante geen dringende redenen had aangevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door het doorbetalen en communicatie van het UWV mocht vertrouwen op arbeidsongeschiktheid en dat zij hierdoor ook een bijstandsuitkering misliep. De Raad oordeelde dat de wachttijd niet was vervuld en dat het doorbetalen van de ZW-uitkering per abuis was, wat geen recht gaf op WIA. Ook werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat terugvordering alleen kan worden afgezien bij uitzonderlijke dringende redenen, die hier niet aanwezig waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees de hoger beroepen af, waarmee het UWV terecht de WIA-uitkering weigerde en de terugvordering handhaafde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering en dat het UWV terecht de onverschuldigde Ziektewet-uitkering heeft teruggevorderd.