Uitspraak
19.5422 AW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam bij de politie, maakte gebruik van de Regeling Partieel Uittreden (RPU) waarbij haar arbeidstijd werd verminderd met behoud van volledige pensioenopbouw volgens het toekenningsbesluit. Vanaf januari 2018 werd echter de pensioenopbouw verminderd vanwege een wijziging in de pensioenrichtleeftijd ingevolge de Wet VAP en een nieuw standpunt van de Belastingdienst dat de RPU feitelijk als deeltijdarbeid beschouwt.
De korpschef paste deze wijziging toe en verwerkte de verminderde pensioenopbouw met terugwerkende kracht in de salarisbetaling van november 2018. Appellante maakte bezwaar tegen deze wijziging, stellende dat haar vertrouwen op volledige pensioenopbouw was gewekt door een toezegging in het toekenningsbesluit.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef gehouden was het gewijzigde beleidsuitgangspunt van de Belastingdienst te volgen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde. In hoger beroep stelde appellante dat er wel sprake was van een toezegging die nakoming vereiste.
De Raad oordeelt dat er inderdaad sprake is van een aan de korpschef toe te rekenen toezegging waaruit appellante gerechtvaardigde verwachtingen kon afleiden. Echter, het algemeen belang bij naleving van de gewijzigde regelgeving en het pensioenreglement weegt zwaarder dan het individuele belang van appellante. De korpschef heeft bovendien maatregelen genomen om de gevolgen te beperken. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verminderde pensioenopbouw bevestigd.