Uitspraak
19 1329 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1976, diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van beperkingen door beenklachten en concentratieproblemen. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek over arbeidsvermogen beschikt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de combinatie van klachten niet goed was meegewogen en dat hij niet was gehoord in 2018, wat volgens hem in strijd was met het fair play-beginsel. De Raad oordeelde dat de beoordeling volgens de regels van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) moest plaatsvinden omdat appellant vóór 1980 geboren is. De bewijslast voor een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager, en het UWV had voldoende gemotiveerd dat appellant niet arbeidsongeschikt is.
De Raad verwierp het betoog over het fair play-beginsel omdat appellant de mogelijkheid tot horen niet heeft benut. Ook was er geen aanwijzing dat de medische beperkingen waren onderschat. Het verzoek om een deskundigenonderzoek werd afgewezen. De Raad volgde appellant niet in zijn standpunt over het maatmaninkomen en stelde vast dat het UWV in hoger beroep een adequate arbeidskundige onderbouwing gaf. Het hoger beroep werd afgewezen en het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd met vergoeding van het griffierecht.