ECLI:NL:CRVB:2020:2989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering na een eerstejaars beoordeling, waarbij werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen op basis van geselecteerde functies.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en leverde medische informatie aan, waaronder een brief van zijn huisarts over milde OSAS en orthopedische klachten. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst op, en een arbeidsdeskundige selecteerde nieuwe functies die binnen de belastbaarheid van appellant vielen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer over de aandacht en het aantal te werken uren, en stelde dat hij financieel niet in staat was een eigen verzekeringsarts in te schakelen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het aanleveren van een expertise van een andere verzekeringsarts niet noodzakelijk is om twijfel te zaaien over de medische beoordeling. De medische en arbeidskundige beoordelingen zijn zorgvuldig en gemotiveerd, en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af.