ECLI:NL:CRVB:2020:2990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete en herziening WIA-uitkering wegens schending informatieplicht
Appellant ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Het UWV startte een onderzoek naar werkzaamheden van appellant bij schoonmaakbedrijven tussen november 2013 en juni 2016. Het UWV herzag de uitkering en vorderde onverschuldigde bedragen terug, en legde een boete op wegens het niet melden van werkzaamheden.
Appellant maakte bezwaar tegen de boete en de herziening, maar het bezwaar tegen de herziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift alleen op de boete betrekking had. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar tegen de herziening ongegrond en het beroep tegen de boete eveneens ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Raad het oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de herziening. Het beroep tegen de boete werd wel gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de boete verlaagd naar €2.350,-. De Raad vond dat appellant in bepaalde periodes werkzaamheden had verricht zonder dit te melden, maar dat het UWV niet had aangetoond dat dit voor de gehele periode gold. Verder werd appellant in de proceskosten en griffierecht tegemoetgekomen.
Uitkomst: Boete wegens schending informatieplicht vastgesteld op €2.350,-, bezwaar tegen herziening niet-ontvankelijk verklaard.