ECLI:NL:CRVB:2020:305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluiten over re-integratie en arbeidsongeschiktheid werknemer
Werknemer was sinds 1996 in dienst en viel in 2013 uit wegens rugklachten. Na diverse medische onderzoeken en rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het UWV werd vastgesteld dat werknemer geschikt was voor lichte arbeid tot zes uur per dag, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 39,91% tot 67,47%.
Appellante, de werkgever, maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV die haar een loonsanctie oplegden wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en die de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer vaststelden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en niet-ontvankelijk waar van toepassing.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onjuist was, dat de rechtbank het beginsel van equality of arms had geschonden en dat zij onvoldoende gelegenheid had gehad om medische gegevens aan te leveren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht, dat de belastbaarheid van werknemer juist was vastgesteld en dat appellante over alle medische gegevens beschikte en een eigen medisch adviseur had ingeschakeld.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de uitspraken van de rechtbank. Er was geen reden om de besluiten van het UWV te vernietigen of te wijzigen, en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat de vastgestelde belastbaarheid van de werknemer juist is.