Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege de ziekte van Crohn en psychische klachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant momenteel geen arbeidsvermogen heeft, maar deze situatie niet duurzaam is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat verbetering van de belastbaarheid op lange termijn mogelijk is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de situatie niet duurzaam is, met name vanwege het wisselende beloop van de ziekte van Crohn en onduidelijkheid over behandelmogelijkheden. De Centrale Raad van Beroep volgt echter het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat er sprake is van kans op verbetering, mede gebaseerd op medische rapporten die een gunstige prognose aangeven.
De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die het oordeel van het UWV in twijfel trekken. Ook de psychische klachten zijn volgens de Raad behandelbaar met uitzicht op herstel. De afwijzing van de Wajong-uitkering blijft daarom in stand.
Daarnaast is het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure duurde ruim vier jaar, wat de redelijke termijn overschrijdt. Het UWV en de Staat worden gezamenlijk veroordeeld tot een vergoeding van in totaal €500,- en in de proceskosten van appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.