ECLI:NL:CRVB:2020:3260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang bij WMO-aanvraag rolstoel
Appellante had een aanvraag ingediend voor een handbewogen rolstoel met kantelfunctie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard wees deze aanvraag bij besluit af, waarna appellante bezwaar maakte. De rechtbank Gelderland oordeelde dat het bezwaar ongegrond was en wees het verzoek af.
In hoger beroep richtte appellante zich tegen dit oordeel, maar verklaarde ter zitting dat zij de rolstoel niet meer wenst vanwege een verslechtering van haar gezondheid, waardoor zij het hulpmiddel niet meer kan gebruiken. Zij stelde dat zij belang had bij een proceskostenveroordeling vanwege gemaakte kosten voor rechtsbijstand en medisch advies.
De Raad beoordeelde of appellante voldoende procesbelang had voor inhoudelijke behandeling. Uit vaste jurisprudentie volgt dat procesbelang vereist dat het beoogde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende procesbelang heeft, mede omdat geen procesbelang kan worden ontleend aan een veroordeling in proceskosten.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.