Uitspraak
19 1340 WIA
5 maart 2019, 18/2505 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig chauffeur bij het Ministerie van Defensie, werd sinds 2008 gevolgd in zijn arbeidsongeschiktheid met wisselende uitkeringsbesluiten van het UWV. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV zijn arbeidsongeschiktheid vast op 33,61% en beëindigde de WIA-uitkering per 18 december 2017. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat hij geen deskundige kon inschakelen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant. De rechtbank wees het verzoek om een deskundige af, verwijzend naar vaste jurisprudentie en het ontbreken van een beredeneerd afwijkend standpunt van de orthopedisch chirurg.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen informatie op te vragen bij zijn orthopedisch chirurg en dat hij door financiële beperkingen onvoldoende mogelijkheden had gehad om zijn standpunt te onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank volledig, benadrukte dat appellant tijdens het onderzoek verklaarde niet onder behandeling te zijn en dat zijn stelling onvoldoende was onderbouwd. De Raad bevestigde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was, en dat er geen reden was een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de arbeidsongeschiktheid op 33,61% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft beëindigd.