Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. In december 2018 startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij op 4 februari 2019 een hennepkwekerij in de woning van appellant werd aangetroffen. Het college trok de bijstand met ingang van 1 december 2016 in en vorderde de kosten terug tot januari 2019 wegens het niet melden van de kwekerij en de daaruit verkregen inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de intrekking slechts over de periode van half maart 2017 tot half november 2018 had mogen plaatsvinden, omdat hij alleen in die periode inkomsten uit de hennepteelt had genoten. De Raad oordeelde dat ook in de overige perioden sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, wat voor het recht op bijstand relevant is.
Het college beperkte in een nader besluit de intrekking tot 4 februari 2019 en handhaafde de terugvordering. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor het deel vanaf 5 februari 2019 en verklaarde het beroep gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.