Uitspraak
18.4916 PW, 18/4917 PW
OVERWEGINGEN
,aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten.
BESLISSING
- bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds augustus 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een melding over samenwoning werd een onderzoek ingesteld, waarbij bleek dat appellante niet alle inkomsten en kasstortingen had gemeld. Het college beëindigde haar bijstand en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs leverde over de herkomst van stortingen en haar lage uitgavenpatroon. Ook haar aanvragen om bijzondere bijstand werden afgewezen wegens onvoldoende inzicht in haar financiële situatie.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel voldoende uitleg had gegeven over de stortingen en haar levensonderhoud, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de verklaringen onvoldoende bewijs boden. De lage uitgaven rechtvaardigen het vermoeden van aanvullende inkomsten, die niet aannemelijk zijn gemaakt.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.