Eisers ontvingen sinds 2007 een bijstandsuitkering. In januari 2019 startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze uitkering vanwege onduidelijkheden in bankafschriften en financiële gegevens. Na een opschorting en nadere informatieverstrekking trok het college per 1 maart 2019 de bijstandsuitkering in wegens het niet herstellen van een verzuim in de inlichtingenplicht.
Eisers maakten bezwaar tegen de intrekking, stellende dat zij voldoende informatie hadden verstrekt en dat het college hen niet duidelijk had gemaakt dat aanvullende stukken nodig waren. Ook verwezen zij naar hun psychische gesteldheid als verzachtende omstandigheid. Het college handhaafde het besluit en kende een dwangsom toe wegens te late beslissing op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende inzicht hadden gegeven in hun financiële situatie, met name over de herkomst van stortingen en het lage uitgavenpatroon. De verblijfperiodes in het buitenland vielen buiten de relevante periode. De objectieve verplichting tot het verstrekken van informatie was geschonden, ongeacht verwijtbaarheid. Eisers slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht hadden op bijstand. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.