Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
18 februari 2020
Zaaknummer
18/6222 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 32 PWArt. 8:113 AwbArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemelde kasstortingen en opgelegde boete

Appellant ontving sinds 2004 bijstand en werd in 2017 onderzocht vanwege aanwezigheid in een pand met gokautomaat. Uit bankafschriften bleek dat appellant meerdere kasstortingen had gedaan op zijn ING- en ABN AMRO-rekeningen, zonder dit te melden aan het college. Het college herzag en trok de bijstand in over 2010-2017, vorderde terugbetaling en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de kasstortingen afkomstig waren van eigen opnames en dat het college zijn handelswijze had geaccepteerd. De Raad oordeelde dat appellant de herkomst van kasstortingen onvoldoende aannemelijk had gemaakt en dat hij het college niet volledig had geïnformeerd, waardoor de inlichtingenplicht was geschonden.

De Raad vernietigde het besluit voor een klein bedrag aan kasstortingen die het college niet als middelen had aangemerkt, en droeg het college op opnieuw te beslissen over de terugvordering. De opgelegde boete werd bevestigd als evenredig. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens stress en reputatieschade werd afgewezen omdat geen ernstige inbreuk op persoonlijke levenssfeer was aangetoond.

Tot slot werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd bepaald dat het griffierecht werd vergoed.

Uitkomst: De Raad vernietigt deels het besluit tot herziening en terugvordering, bevestigt de boete en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

18.6222 PW, 19/3732 PW

Datum uitspraak: 18 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 25 oktober 2018, 18/1178 (aangevallen uitspraak 1), en van 22 juli 2019, 19/183 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroepen ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K. Aslan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.M. Noordink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 juli 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij een controle in het kader van bestrijding van illegale gokactiviteiten is appellant op 21 november 2017 aangetroffen in een pand waarin een gokautomaat stond. Naar aanleiding hiervan heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Handhaving van de gemeente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer afschriften opgevraagd van de bankrekeningen van appellant bij de ABN AMRO (ABN AMRO-rekening) en de ING (ING-rekening). Na ontvangst daarvan heeft de sociaal-rechercheur geconstateerd dat op de beide bankrekeningen een groot aantal kasstortingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 5 december 2017, 30 januari 2018 en 16 juli 2018.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juni 2018 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2017 (herzieningsperiode) te herzien dan wel in te trekken, de over de jaren 2010 tot en met 2017 verleende individuele inkomenstoeslag in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.478,43 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ABN AMRO‑rekening waarover hij beschikte en van de kasstortingen op zijn bankrekeningen. Het college heeft de kasstortingen aangemerkt als inkomsten en in mindering gebracht op de verleende bijstand.
1.4.
Het college heeft bij besluit van 13 juli 2018 aan appellant een boete opgelegd van
€ 1.195,92. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 4 december 2018 (bestreden besluit 2) de boete vastgesteld op € 597,96. Het college heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van de ABN AMRO-rekening en de kasstortingen en dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Herziening, intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)
4.1.Vaststaat dat in de herzieningsperiode een groot aantal – te weten in totaal 170 – kasstortingen hebben plaatsgevonden op de ING-rekening en op de ABN AMRO-rekening, variërend van € 10,- tot € 380,- en tot een totaalbedrag van € 11.060,-. Voorts staat vast dat appellant de kasstortingen niet uit eigen beweging heeft gemeld bij het college en dat hij ook geen melding heeft gemaakt van de ABN AMRO-rekening.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat de stortingen geen in aanmerking te nemen middelen zijn, maar bedragen die hij eerst van zijn ING-rekening heeft opgenomen en op een later moment gedeeltelijk heeft teruggestort op deze rekening en op zijn ABN AMRO-rekening. Hij kan niet internetbankieren. De bijstand en de toeslagen worden op zijn ING-rekening gestort. Van zijn ABN AMRO-rekening wordt onder meer zijn verzekeringspremie betaald. Hij wijst er op dat hij meer geld heeft opgenomen, dan hij heeft gestort.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk gemaakt. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de bron in beginsel onduidelijk is. Als het bedrag van een kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de stortingen op zijn bankrekeningen afkomstig zijn uit de opgenomen bedragen van de ING-rekening. Voorts is onvoldoende rechtstreeks verband te zien tussen de opnames en stortingen, zowel in tijd als in omvang van de bedragen, om aannemelijk te kunnen achten dat de op de beide bankrekeningen van appellant gestorte bedragen (deels) de bedragen zijn die hij eerder van de ING-rekening had opgenomen. Appellant heeft dat ter zitting ook erkend. Bovendien heeft appellant ook van zijn ABN AMRO-rekening geld opgenomen en zijn op meerdere dagen op beide bankrekeningen bedragen gestort. Dat de totale som aan opgenomen gelden groter is dan het totale bedrag aan kasstortingen betekent niet dat zonder meer kan worden dat aangenomen dat de kasstortingen afkomstig zijn uit de opgenomen bedragen. De kasstortingen op de ING‑rekening en de
ABN AMRO-rekening zijn dus, anders dan appellant heeft aangevoerd, van belang voor het recht op bijstand. Door van deze kasstortingen geen melding te maken bij het college, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.5.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het college bekend was met zijn handelwijze van opnemen en storten en daarvan in het verleden geen probleem heeft gemaakt, zodat hij er op mocht vertrouwen dat die handelwijze werd geaccepteerd en de kasstortingen op zijn bankrekeningen dus geen gevolgen zouden hebben voor zijn bijstand. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
4.6.2.
In de herzieningsperiode heeft het college in het kader van heronderzoeken jaarlijks aan appellant gevraagd om zijn bankafschriften over te leggen over de voorafgaande drie maanden. Alleen in 2013 heeft appellant bankafschriften van zowel zijn ING-rekening als zijn ABN AMRO-rekening overgelegd. Hierop waren twee kasstortingen te zien, te weten € 20,- op de ABN AMRO-rekening en € 10,- op de ING-rekening. De betrokken controleur heeft in zijn rapport geen aandacht besteed aan deze bankafschriften. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat gelet op deze gang van zaken deze stortingen van in totaal € 30,- niet langer als middelen moeten worden aangemerkt.
4.6.3.
In de overige jaren in de herzieningsperiode heeft appellant telkens alleen afschriften van zijn ING-rekening overgelegd. De betrokken consulent heeft in 2016 aan de hand van de overgelegde afschriften van de ING-rekening geconstateerd dat er kasstortingen waren gedaan en heeft aan appellant gevraagd om opheldering. De verklaring van appellant dat hij veelal aan het einde van de maand geldopnames doet en dat hij het bedrag dat hij daarvan overhoudt aan het begin van de volgende maand terugstort, heeft de consulent toen plausibel geacht.
4.6.4.
Nu appellant bij de jaarlijkse onderzoeken in de herzieningsperiode – behoudens in 2013 – niet de afschriften van beide bankrekeningen heeft verstrekt en het college dus niet volledig heeft geïnformeerd, mocht appellant niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat zijn handelwijze door het college werd geaccepteerd en de kasstortingen dus geen gevolgen zouden hebben voor zijn bijstand.
4.7.
Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat deze geen bespreking behoeft.
Conclusie hoger beroep aangevallen uitspraak 1
4.8.
Gelet op het nadere standpunt van het college over de onder 4.6.2 genoemde kasstortingen tot een totaalbedrag van € 30,- dient aangevallen uitspraak 1 te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover bij de herziening dan wel intrekking ook de onder 4.6.2 genoemde kasstortingen zijn betrokken. Omdat de terugvordering ondeelbaar is, zal bestreden besluit 1 ook worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 25 januari 2018 te herroepen voor zover daarbij de onder 4.6.2 genoemde kasstortingen zijn betrokken.
4.9.
Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. Nu het hier gaat om een financiële uitwerking, die de Raad zelf niet kan maken, zal het college worden opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 januari 2018.
4.10.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Boete (aangevallen uitspraak 2)
4.11.
Uit 4.1 en 4.4 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 597,96 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
4.12.
Uit 4.11 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.
Verzoek om schadevergoeding
5.1.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden, omdat hij veel stress heeft ervaren door de besluiten en de daarop volgende procedure. Hij voelt zich verdacht gemaakt en beperkt in zijn vrijheid om middelen naar eigen inzicht te besteden.
5.2.
Bij de beantwoording van de vraag of voldoende aanleiding bestaat om immateriële schade toe te kennen, moet naar vaste rechtsspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169). Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde. Verder moet worden bedacht dat daarvoor in gevallen als deze in de regel onvoldoende is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of daarmee gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan.
5.3.
De gang van zaken bij de totstandkoming van het te vernietigen besluit 1 levert geen ernstige inbreuken op als bedoeld onder 5.2. Dat wordt niet anders doordat appellant naar eigen zeggen veel spanning en stress heeft ervaren. Gelet hierop wordt geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade lijdt of heeft geleden, zodat het verzoek om vergoeding daarvan moet worden afgewezen.
6. Aanleiding bestaat om in zaak 18/6222 PW het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.150,-. Voor een veroordeling in de proceskosten in zaak 19/3732 PW bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
in zaak 18/6222 PW:
  • vernietigt aangevallen uitspraak 1;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 juni 2018 voor zover bij de herziening dan wel intrekking ook de onder 4.6.2 genoemde kasstortingen zijn betrokken en voor zover het de terugvordering betreft;
  • herroept het besluit van 25 januari 2018 voor zover daarbij de onder 4.6.2 genoemde kasstortingen zijn betrokken en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 juni 2018;
  • draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2018 voor zover dat ziet op de terugvordering en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt;
in zaak 19/3732 PW:
- bevestigt aangevallen uitspraak 2;
in beide zaken:
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) R.I.S. van Haaren