ECLI:NL:CRVB:2020:34
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV tot vergoeding proceskosten wegens onjuiste motivering maatmaninkomen in Ziektewetzaak
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen het UWV inzake de vaststelling van het maatmaninkomen van een werknemer in het kader van de Ziektewet (ZW). Het UWV had aanvankelijk een onjuist maatmaninkomen vastgesteld, wat in de beroepsfase werd gecorrigeerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV, zonder het UWV te veroordelen in de proceskosten.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank het UWV had moeten veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten vanwege de onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen en het ontbreken van een deugdelijke motivering van het besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit niet voldeed aan de motiveringsvereisten van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze het UWV niet in de proceskosten had veroordeeld en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in zowel de beroeps- als de hogerberoepsfase, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 9 januari 2020.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante wegens onjuiste motivering van het maatmaninkomen.