Appellante was sinds 2008 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2010 een WGA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 19 april 2014 op grond van een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante voerde aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, mede door neurologische klachten die verband houden met de ziekte van Parkinson.
De Raad benoemde meerdere deskundigen, waaronder psychiater Koerselman en neuroloog Van den Doel, die concludeerden dat appellante op de datum in geschil reeds beperkingen had door een eerste uiting van Parkinson. Het UWV had deze beperkingen onvoldoende erkend, met name ten aanzien van hand- en vingergebruik, waardoor de functie van soldering technician ongeschikt was.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte de WGA-uitkering had beëindigd en vernietigde het besluit. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor een schadevergoeding van €3.000,- aan appellante werd toegekend. Het UWV en de Staat werden veroordeeld in proceskosten en vergoeding van griffierechten.