Betrokkene ontving bijstand en had een Opel Insignia op zijn naam staan zonder dit te melden, wat leidde tot onderzoek door de sociale recherche. De auto was gekocht met contante betaling, waarvan de herkomst niet aannemelijk werd gemaakt. Het college trok de bijstand in vanaf 2 maart 2016, vorderde te veel betaalde bijstand terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de auto tot het vermogen van betrokkene behoorde in de periode 7 maart tot 31 juli 2016 en dat betrokkene onvoldoende bewijs leverde dat de auto niet zijn eigendom was. Ook gaf betrokkene geen objectieve gegevens over de financiering en over zijn levensonderhoud voorafgaand aan een nieuwe aanvraag.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank over de intrekking en terugvordering, verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, bevestigt de afwijzing van de nieuwe aanvraag en handhaaft de boete. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.