ECLI:NL:CRVB:2020:361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgevolgen terugvordering en boete WAZ-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant, een voormalig zelfstandig autohandelaar, ontving een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV ontdekte dat appellant wijzigingen in zijn inkomsten uit arbeid bij twee werkgevers niet had doorgegeven, wat leidde tot een te hoge uitkering over de periode 2012-2015.
Het UWV legde een terugvordering van ruim €10.900,- en een boete van €5.180,- op. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand, waarbij zij oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden tot 1 juli 2015, maar niet daarna vanwege gewijzigde regelgeving.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wijzigingen wel had gemeld aan een arbeidsbemiddelaar en telefonisch aan het UWV, en dat de boete te hoog was. De Raad oordeelde dat appellant deze stellingen niet had onderbouwd en dat hij een verwijt treft voor het niet nakomen van zijn inlichtingenplicht. De boete was proportioneel en de terugvordering terecht.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat het bezwaar niet onrechtmatig was afgewezen.
Deze uitspraak onderstreept het belang van een correcte en tijdige melding van wijzigingen aan het UWV om onterechte uitkeringen en boetes te voorkomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens schending van de inlichtingenplicht en wijst het hoger beroep af.