ECLI:NL:CRVB:2020:366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2020
Publicatiedatum
19 februari 2020
Zaaknummer
17/5396 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 29 Wet WIAArt. 88 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen medische beoordeling WIA-uitkering

Betrokkene viel in september 2013 uit voor zijn werk en kreeg in oktober 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en stelde dat er geen adequate behandeling was en dat het UWV naliet actie te ondernemen. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard omdat het niet ging over de omvang van het geding. In beroep stelde appellante dat het afzien van een sanctie onderdeel was van het besluit en bestreed zij de medische beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ging om de medische beoordeling, omdat dit niet in bezwaar was aangevoerd en artikel 6:13 Awb Pro dit uitsluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Het UWV had volgens verzekeringsartsen terecht geen stagnatie van herstel vastgesteld en appellante had de medische gronden eerder moeten aanvoeren.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

17/5396 WIA
Datum uitspraak: 19 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2017, 16/489 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. H.E. Wonnink hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nader stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Namens appellante is verschenen mr. drs. E.C. Spiering. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene, [naam betrokkene] , is op 5 september 2013 uitgevallen voor zijn werk als
magazijnmedewerker. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2015 aan betrokkene met ingang van 3 september 2015 een loongerelateerde WGA‑uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.2. Appellante heeft in bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2015 aangevoerd dat per
datum einde wachttijd geen sprake was van adequate behandeling van betrokkene en dat door het Uwv is verzuimd daar concreet actie op te ondernemen.
1.3. Het bezwaar van appellante is door het Uwv bij besluit van 26 november 2015 (bestreden
besluit) ongegrond verklaard, omdat de door appellante aangevoerde gronden niet tot de omvang van het geding behoren. Het Uwv heeft een heroverweging van het recht, de hoogte en duur van de uitkering achterwege gelaten omdat appellante tegen deze aspecten geen gronden had aangevoerd.
2.1. In beroep heeft appellante gesteld dat het (impliciet) afzien van een sanctie kan worden gezien als een onderdeel van het bestreden besluit. Vervolgens heeft appellante in beroep alsnog de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het primaire besluit van 8 oktober 2015 bestreden.
2.2. Het Uwv heeft in beroep een rapport ingebracht van 24 augustus 2016, waarin een verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteen heeft gezet dat geen sprake is geweest van stagnatie van herstel.
2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard voor zover het beroep is gericht tegen het niet opleggen van een maatregel. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of het Uwv een maatregel had moeten opleggen buiten de omvang van het te beslechten geschil valt. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat appellante in bezwaar geen medische dan wel arbeidskundige gronden had aangevoerd tegen de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering aan betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staat aan beoordeling van het beroep voor zover dit was gericht tegen de medische beoordeling.
3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het herstelgedrag van betrokkene inadequaat was en dat de verzekeringsartsen van het Uwv hebben verzuimd een nader onderzoek in te stellen naar de toepassing van artikel 88 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in samenhang met artikel 29 van Pro die wet. Zij acht dit in strijd met de zorgvuldigheid. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank het beroep met betrekking tot de medische grondslag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft gesteld dat artikel 6:13 van Pro de Awb niet van toepassing is. Appellante acht het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit van 8 oktober 2015 onjuist.
3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 augustus 2016, waarin deze verzekeringsarts concludeert dat van verwijtbare stagnatie van herstel geen sprake is. Verder heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante de medische grondslag van het besluit van 8 oktober 2015 tijdens de bezwaarprocedure ter discussie had kunnen en moeten stellen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vooropgesteld wordt dat de reguliere beoordeling van de arbeidsongeschiktheid door het Uwv zich niet uitstrekt tot het onderzoeken en beoordelen of het herstelgedrag van de verzekerde aanleiding geeft tot het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 88 van Pro de Wet WIA vanwege het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 29 van Pro die wet (zie de uitspraken van de Raad van 27 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1096, en van 2 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1646). In zoverre slaagt het hoger beroep dus niet. Daarbij wordt ten overvloede nog opgemerkt dat in dit geval in de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv gemotiveerd uiteen is gezet waarom zij menen dat van stagnatie van herstel geen sprake is geweest, integendeel. Dat deze conclusie onjuist zou zijn is niet gebleken.
4.2. De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat het beroep van appellante voor zover dit de medische beoordeling betreft, niet-ontvankelijk is. De Raad verenigt zich met de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zijn geen aanknopingspunten aangetroffen om tot een andersluidend oordeel te komen. Weliswaar bestaat een besluit waarbij een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531) niet uit afzonderlijke besluitonderdelen, maar het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 oktober 2015 had, zoals voortvloeit uit het overwogene onder 4.1, geen betrekking op het (ondeelbare) rechtsgevolg dat met dat besluit tot stand is gebracht, namelijk de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering met inachtneming van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Het bezwaar betrof slechts het ontbreken van een ander, door appellante gewenst rechtsgevolg. De in beroep aangevoerde medische gronden hebben dus geen betrekking op besluitonderdelen die in bezwaar al aan de orde zijn gesteld, zodat (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van Pro de Awb aan het in de beoordeling meenemen daarvan in de weg staat.
4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en T. Dompeling en M.A. Schneider als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E. Diele