ECLI:NL:CRVB:2020:418

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2020
Publicatiedatum
25 februari 2020
Zaaknummer
18/382 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag algemene bijstand wegens onvoldoende onderbouwing inkomsten zangeres

Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan naast een nulurencontract als pedagogisch medewerker ook als zangeres op te treden. Het college stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling, nam deze later weer in behandeling en weigerde uiteindelijk de bijstand vanwege onvoldoende informatie over haar inkomsten uit optredens.

Appellante trad veelvuldig op binnen- en buitenland onder een artiestennaam, maar hield geen volledige administratie bij van haar optredens en inkomsten. Ondanks aanvullende stukken in hoger beroep kon zij het aantal optredens en de inkomsten niet voldoende onderbouwen.

De Raad oordeelde dat optredens als op geld waardeerbare arbeid gelden, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten. Het college mocht daarom terecht inzicht verlangen in de financiële situatie. Omdat appellante niet voldeed aan haar inlichtingenplicht, bleef het recht op bijstand onduidelijk en werd de afwijzing bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van inkomsten uit optredens.

Uitspraak

18 382 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 25 februari 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 december 2017, 17/2231 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2019. Namens appellante is verschenen mr. Jobse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.
Het onderzoek ter zitting is geschorst. Appellante heeft bij brief van 9 augustus 2019 een berekening toegezonden van de inkomsten die zij volgens haar had kunnen verdienen met haar muziekoptredens in de periode van 18 februari 2016 tot en met 23 september 2016 en heeft dit toegelicht aan de hand van nadere stukken. Het college heeft bij brief van
28 augustus 2019 een nader standpunt naar voren gebracht.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 14 januari 2020. Namens appellante is verschenen
mr. Jobse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Zonneveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft zich op 18 februari 2016 bij het college gemeld om (aanvullende) bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 31 maart 2016 heeft zij de
aanvraag om bijstand ingediend. Bij de aanvraag heeft appellante opgegeven dat zij op basis van een nulurencontract als pedagogisch medewerker in loondienst is bij [naam B.V.] en dat zij tevens als zangeres optreedt.
1.2.
Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college de aanvraag van 31 maart 2016 buiten behandeling gesteld. Daarop heeft appellante op 8 juli 2016 weer bijstand aangevraagd. Het college heeft bij besluit van 2 september 2016 de buitenbehandelingstelling ingetrokken en de aanvraag opnieuw in behandeling genomen. Het college heeft in dat kader onder meer internetonderzoek verricht, waarbij uit het Facebook-account van appellante is gebleken dat zij na de melddatum met grote regelmaat, op diverse plekken in de wereld, heeft opgetreden als zangeres onder haar artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’. Het college heeft appellante voorts bij brief van 3 september 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 9 september 2016 en haar verzocht om daarbij een aantal gegevens mee te nemen, waaronder loonoverzichten en bewijsstukken van een aantal stortingen op haar bankrekening en van haar activiteiten als zangeres. Tijdens het gesprek heeft appellante onder meer verklaard dat zij als zangeres één, twee of drie keer per maand optreedt of soms maanden niet, dat indien zij wordt betaald voor een optreden zij € 50,- contant ontvangt en een vergoeding voor de vervoerskosten en dat zij haar inkomsten uit optredens niet bijhoudt omdat zij er niks op verdient en alleen haar onkosten worden vergoed.
1.3.
Bij afzonderlijke besluiten van 23 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 februari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en het aan appellante toegekende voorschot van € 1.192,12 teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen. De optredens van appellante als zangeres zijn aan te merken als op geld waardeerbare arbeid. Het door appellante overgelegde overzicht van muziekoptredens van 13 februari 2017 is geen verifieerbare administratie op grond waarvan een inkomen is vast te stellen. Het overzicht is incompleet en onduidelijk blijft hoe vaak appellante heeft opgetreden en welke bedragen zij daarvoor heeft ontvangen. Het college heeft geen inzicht gekregen in de financiële situatie van appellante, zodat niet is vast te stellen of zij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 18 februari 2016, de datum van de melding, tot en met 23 september 2016, de datum van het besluit op de aanvraag.
4.2.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die moeten leiden tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Anders dan appellante heeft gesteld, geldt de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over inkomsten uit werkzaamheden niet alleen wanneer al bijstand wordt ontvangen.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode onder haar artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’ veelvuldig als zangeres heeft opgetreden in binnen- en buitenland waaronder in [A, B, C, D, E en F] .
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat zij optreedt om zichzelf als zangeres te promoten en dat zij voor de optredens uitsluitend een onkostenvergoeding heeft ontvangen. Ten bewijze van het aantal optredens en de daarvoor ontvangen vergoedingen heeft appellante al wat mogelijk was verstrekt. Appellante leeft al een langere periode in een financiële noodsituatie waardoor vele schulden zijn ontstaan. De in hoger beroep bij brief van 9 augustus 2019 verstrekte berekening en stukken bieden voldoende handvatten voor een schatting van wat appellante zou hebben kunnen verdienen met haar optredens.
4.5.
Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5.1.
Niet in geschil is dat de muziekoptredens van appellante in binnen- en buitenland in de te beoordelen periode als op geld waardeerbare activiteiten kunnen worden gekwalificeerd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Of het om bedrijfsmatig verrichte of, zoals appellante heeft aangevoerd, bij wijze van promotie uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de Wet werk en bijstand, thans de PW, dus geen relevant onderscheid (vergelijk de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5334).
4.5.2.
Het college heeft op grond van de op geld waardeerbare optredens terecht inzicht verlangd in de financiële situatie van appellante. Appellante heeft van haar optredens geen (deugdelijke) administratie of boekhouding bijgehouden. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening en risico. Het zijn, anders dan appellante heeft gesteld, geen gegevens waarover zij, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, redelijkerwijs niet heeft kunnen beschikken. Het verstrekte overzicht muziekoptredens van 13 februari 2017 geeft geen volledig beeld van het aantal optredens en de daarvoor ontvangen vergoedingen in de te beoordelen periode. De Raad is van oordeel dat appellante met de in hoger beroep ingebrachte stukken het aantal optredens en de verdiensten die zij heeft ontvangen dan wel had kunnen bedingen voor de optredens nog steeds onvoldoende heeft onderbouwd. Zo heeft appellante onder meer haar verklaringen over het aantal optredens per tournee niet met objectieve en verifieerbare gegevens gestaafd. Daardoor is niet vast te stellen - ook niet schattenderwijs - tot welk bedrag appellante aanvullend recht op bijstand zou hebben gehad, als zij de inlichtingenverplichting was nagekomen. Wat appellante heeft gesteld over haar moeilijke financiële situatie, maakt dit niet anders. Het college heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag om bijstand dan ook terecht gehandhaafd.
4.6.
Van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel, zoals appellante heeft gesteld, is geen sprake. De gedingstukken noch de wijze van besluitvorming geven daarvoor aanleiding.
4.7.
Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) R.I.S. van Haaren