ECLI:NL:CRVB:2020:440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bedrijfskrediet ondanks verjaring
Appellanten ontvingen in 2008 een bedrijfskrediet van €46.016,86 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, bestemd voor schuldenaflossing. Na het tekenen van een schuldbekentenis en het betaalbaar stellen van het krediet, stopten zij vanaf juni 2009 met aflossen. Hierdoor werd het restant van €52.520,63 inclusief rente direct opeisbaar.
Het college van burgemeester en wethouders van Helmond vorderde dit bedrag terug bij besluit van 18 december 2013, gehandhaafd in 2018. Appellanten stelden dat de vordering was verjaard op het moment dat zij in 2015 voor het eerst met het besluit bekend werden, maar de Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, omdat de betalingsverplichting voor 1 juli 2009 is ontstaan.
De verjaring begon in juni 2009 en zou in juni 2014 zijn verstreken, maar werd gestuit door een verrekeningshandeling in maart 2014, toen appellanten een bedrag van €135,45 verrekenden met bijstand. De Raad verwierp ook de stelling dat de vordering niet geldig zou zijn vanwege het ontbreken van bewijs dat de gelden aan schuldsanering waren besteed.
De Raad concludeerde dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van terugvordering en dat het college rekening moet houden met de beslagvrije voet. Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €52.520,63 en wijst het hoger beroep af wegens niet-verjaarde vordering.