ECLI:NL:CRVB:2020:496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WIA-dagloon op grond van formele rechtskracht WW-besluiten
Appellant verzocht om herziening van het WIA-dagloon omdat hij meent dat bij de vaststelling van het WW-dagloon een fout is gemaakt in de referteperiode. Hij stelde dat hij feitelijk tot 1 februari 2010 heeft doorgewerkt, waardoor het dagloon hoger zou moeten zijn vastgesteld. Het UWV wees dit verzoek af, omdat de WW-besluiten formele rechtskracht hebben en er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die herziening rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen de afwijzingen ongegrond en oordeelde dat de duuraanspraken-jurisprudentie niet van toepassing is op de situatie waarin een WIA-uitkering is gebaseerd op een in rechte vaststaand WW-dagloon. Appellant stelde in hoger beroep dat de jurisprudentie wel van toepassing is en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, mede vanwege zijn slechte gezondheid en de gevolgen voor zijn WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het dagloon voor de IVA-uitkering juist is berekend volgens de geldende wettelijke bepalingen en dat de duuraanspraken-jurisprudentie niet leidt tot herziening van het WW-dagloon in deze context. Ook de door appellant aangehaalde uitspraak van 8 juni 2016 is niet vergelijkbaar. Het verzoek tot herziening van 2 augustus 2017 is terecht afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het WIA-dagloon is terecht afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en de formele rechtskracht van eerdere WW-besluiten.