Appellant was arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 80 tot 100% en ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een melding van verslechtering van zijn gezondheid heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%, wat leidde tot beëindiging van de uitkering per 25 januari 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV bevoegd was tot herbeoordeling en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd waren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen uitdrukkelijke toezegging was gedaan door het bevoegde orgaan.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad onderschrijft de medische en arbeidskundige conclusies en wijst het beroep op een uitlooptermijn van één jaar af, omdat artikel 56, derde lid, Wet WIA alleen van toepassing is bij beëindiging wegens feitelijke werkzaamheden boven 65% van het maatmanloon, wat hier niet aan de orde is.
De Raad concludeert dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en de uitkering terecht heeft beëindigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.