ECLI:NL:CRVB:2020:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellant, geboren in 1998, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege een matige verstandelijke beperking, ADHD en hechtingsproblematiek. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant geen arbeidsvermogen had, maar deze situatie niet duurzaam was. Zowel verzekeringsarts als arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant zich verder kon ontwikkelen en loonvormende arbeid in een beschermde setting mogelijk bleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd meegewogen dat de ontwikkeling van vaardigheden bij ontwikkelingsstoornissen vaak trager verloopt en langer doorloopt na het 18e jaar. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bewijslast onredelijk was en dat het UWV onvoldoende had onderbouwd welke ontwikkeling verwacht kon worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV het beoordelingskader juist had toegepast en dat de inschatting van toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie voldoende concreet en deugdelijk was onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellant op de beoordelingsdatum niet over de benodigde werknemersvaardigheden beschikte, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was omdat ontwikkeling mogelijk was. Het latere besluit van het UWV om per 1 januari 2018 alsnog een Wajong-uitkering toe te kennen, was niet relevant voor dit hoger beroep.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd wegens niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.