Betrokkene was sinds 2007 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en bekleedde een leidinggevende functie. Op 31 juli 2015 vond een incident plaats waarbij betrokkene disproportioneel geweld gebruikte tegen een gedetineerde tijdens diens verplaatsing naar een isoleercel. Dit leidde tot een onderzoek en uiteindelijk tot het opleggen van onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim.
De rechtbank oordeelde eerder dat het ontslag disproportioneel was, mede vanwege de posttraumatische stressstoornis (PTSS) van betrokkene en het feit dat de gedetineerde geen letsel opliep. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde tegen het ontslag.
De Raad concludeert dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim en dat het onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is gezien de ernst van de gedragingen en de voorbeeldfunctie van betrokkene. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen en het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.