ECLI:NL:CRVB:2020:526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven van echtgenoten
Betrokkenen, gehuwd sinds 1996 en met vijf kinderen, ontvingen bijstand op basis van de norm voor gehuwden. Na een scheiding van tafel en bed in december 2013 handhaafde het college aanvankelijk de gehuwdennorm, maar wijzigde dit in 2014 toen betrokkene X een nieuwe woonruimte betrok. Het college trok vervolgens de bijstand aan betrokkene Y in en vorderde terugbetaling wegens het niet duurzaam gescheiden leven.
De rechtbank verklaarde de beroepen van betrokkenen gegrond en vernietigde de besluiten, stellende dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat betrokkenen niet duurzaam gescheiden leefden. Het college ging in hoger beroep en voerde aan dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van betrokkenen en getuigen, voldoende waren om te concluderen dat zij niet duurzaam gescheiden leefden.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat echtgenoten ieder een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat dit moet blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Op basis van verklaringen van betrokkenen over frequent contact, gezamenlijke huishoudelijke hulp, gezamenlijke viering van feestdagen en ondersteuning bij ziekte, concludeerde de Raad dat betrokkenen niet duurzaam gescheiden leefden.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en verklaarde de beroepen van het college ongegrond, waarmee de intrekking en terugvordering van bijstand rechtsgeldig waren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van het college worden ongegrond verklaard omdat betrokkenen niet duurzaam gescheiden leefden.