Uitspraak
17.8031 WIA
OVERWEGINGEN
.Deze uitkering is per 26 februari 2014 omgezet in een WGA‑loonaanvullingsuitkering, op basis van een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-uitkering sinds 2011, die in 2014 werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. In 2016 werd op verzoek van haar werkgever een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een mate van arbeidsongeschiktheid van 14,06% vaststelden. Op basis hiervan beëindigde het UWV de uitkering per 30 augustus 2016.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende onderbouwd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten in samenhang onvoldoende waren meegewogen en dat de geduide functies niet passend waren vanwege haar behoefte aan frequent toiletgebruik en knieklachten.
De Raad oordeelde dat het verzoek tot aanhouding van de zitting te laat en onvoldoende onderbouwd was en wees dit af. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de verzekeringsartsen de combinatie van klachten wel degelijk in ogenschouw hadden genomen. De geduide functies werden als passend beoordeeld, mede omdat in de FML rekening was gehouden met toiletbezoek en de traplopen haalbaar werd geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.