Appellant ontving vanaf 25 november 2010 een IVA-uitkering. Uit controle bleek dat hij vanaf 1 februari 2012 tot 31 januari 2015 inkomsten uit uitzendarbeid had ontvangen die niet waren doorgegeven aan het UWV en niet in mindering waren gebracht op zijn uitkering. Het UWV stelde de uitkering over deze periode opnieuw vast en vorderde een bedrag van € 37.401,55 terug, daarnaast werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan zijn inlichtingenplicht had voldaan en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien. Ook de boete werd gehandhaafd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel aan zijn plicht had voldaan door overleg met het UWV en het opsturen van loonstroken, maar kon dit niet onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, maar stelde de boete vast op een lager bedrag van € 1.422,78 vanwege gewijzigde regelgeving.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het de boete betrof, bevestigde het overige en veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente over het ten onrechte betaalde boetebedrag en tot vergoeding van de proceskosten van appellant.