ECLI:NL:CRVB:2020:560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld wegens verdiencapaciteit
Appellante was werkzaam als verpleegkundige en meldde zich ziek tijdens een WW-uitkering wegens rugklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar stelde bij een eerstejaars beoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd per 18 juli 2015. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek stelde het UWV vast dat zij per 6 oktober 2015 arbeidsgeschikt was voor bepaalde functies, waarop opnieuw bezwaar werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. De rechtbank zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en vond de geselecteerde functies passend binnen de belastbaarheid van appellante.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch oordeel onjuist was en dat zij geen eerlijk proces kreeg zonder onafhankelijke deskundige. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat voldoende medische informatie was ingebracht en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De Raad onderschreef de motivering van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen en bevestigde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraken van de rechtbank Rotterdam terecht waren en wees de hoger beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 18 juli 2015.