ECLI:NL:CRVB:2020:590

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
6 maart 2020
Zaaknummer
19/2285 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing verzoek vrijstelling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de eerdere beslissing van de Centrale Raad van Beroep waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Appellant stelde dat de draagkrachtbeoordeling onjuist was en dat de uitspraak onvoldoende was gemotiveerd. De Raad overwoog dat vrijstelling van griffierecht kan worden verleend indien het netto-inkomen minder bedraagt dan 90% van de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande en er geen vermogen is om het griffierecht te betalen.

De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan deze criteria en dat de procedure correct was gevolgd. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak benadrukt het belang van toegang tot de rechter en de criteria voor betalingsonmacht bij griffierecht in bestuursrechtelijke zaken.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet voldoet aan de criteria voor vrijstelling van griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 6 maart 2020
19/2285 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2019, 18/2320 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het drechtstedenbestuur

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 29 oktober 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 29 oktober 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 8 augustus 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hem de toegang tot de rechter is belemmerd. Appellant vindt dat de draagkrachtbeoordeling aangaande het griffierecht niet juist is beoordeeld. Ook heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2019 niet voldoende is gemotiveerd.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van Pro het EVRM kan in deze situatie niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. De Raad heeft voor die gevallen beslist welke criteria in bestuursrechtelijke zaken gehanteerd worden bij een beroep op betalingsonmacht. Om voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de indiener van het (hoger) beroepschrift voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.
De Raad heeft het verzoek van appellant om hem vrijstelling te verlenen van betaling van het griffierecht afgewezen omdat het netto-inkomen waarover appellant in de hiervoor bedoelde periode maandelijks kon beschikken niet lager lag dan 90% van de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande. Nu de Raad de juiste procedure heeft gevolgd ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht, kan al wat in verzet is aangevoerd niet slagen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.I.S. van Haaren

RB