ECLI:NL:CRVB:2020:603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.T.H. Zimmerman
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde vast dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Uit onderzoek, waaronder waarnemingen, verklaringen en bankafschriften, bleek dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van appellante.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Appellanten voerden aan dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, maar deze verweren werden verworpen.
De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant op het uitkeringsadres lag, dat het bewijs rechtmatig was verkregen en dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.