ECLI:NL:CRVB:2020:604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening, terugvordering en boete wegens niet gemelde samenwoning bij bijstandsuitkering
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en heeft vanaf 29 april 2009 een gezamenlijke huishouding gevoerd zonder dit te melden, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond. Het dagelijks bestuur herzag de bijstand naar de gehuwdennorm en vorderde de te veel ontvangen bijstand terug over de periode 2009-2016.
Appellant voerde aan dat het dagelijks bestuur door langdurige stilstand en eerdere signalen niet volledig tot terugvordering mocht overgaan (zesmaandenjurisprudentie) en dat de terugvordering deels verjaard was. De Raad oordeelde dat de zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing is bij verplichte terugvordering en dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas aanving in 2016 toen het dagelijks bestuur bekend werd met de samenwoning.
Verder werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De Raad vond de boete proportioneel, mede gezien de financiële omstandigheden van appellant en de matiging van de boete met 40% wegens de tijdsduur tussen rapport en besluit.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en boete gehandhaafd.