ECLI:NL:CRVB:2020:728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als montagemedewerker en meldde zich in 2009 ziek met knieklachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering van 2011 tot 2013, werd zijn arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op minder dan 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. In de daaropvolgende jaren vond een herziening plaats die leidde tot een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%.
In 2015 meldde appellant zich opnieuw met toegenomen klachten, waarna een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een belastbaarheid vaststelden die leidde tot beëindiging van de WGA-vervolguitkering per 16 december 2015. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij in hoger beroep ging.
De Centrale Raad oordeelt dat de rechtbank het besluit zorgvuldig heeft gemotiveerd en dat er geen aanleiding is om het oordeel over de belastbaarheid en geschiktheid van functies te herzien. De stelling dat het Uwv later een hogere uitkering toekende op basis van dezelfde medische situatie wordt verworpen omdat de medische situatie was gewijzigd. Tevens is geen schending van het gelijkheidsbeginsel in de procedure vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.