ECLI:NL:CRVB:2021:441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante viel in 2009 uit haar werk en kreeg in 2011 een WGA-uitkering vanwege 100% arbeidsongeschiktheid. Bij herbeoordeling in 2016 werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 28,65%, waarna het UWV haar WIA-uitkering per 16 februari 2017 beëindigde. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was toegepast.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar klachten niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen, waaronder handklachten en een hoog ziekteverzuimrisico. Tevens stelde zij dat de rechtbank de afwijzing van een deskundige benoeming onvoldoende had gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat de medische beoordeling zorgvuldig en volledig was. De Raad volgde het UWV in de beoordeling dat er geen aanwijzingen waren voor een hogere arbeidsongeschiktheid of een zodanig hoog verzuimrisico dat tewerkstelling redelijkerwijs niet kon worden verlangd. Ook het verzoek om benoeming van een deskundige werd afgewezen vanwege voldoende motivering door de rechtbank.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.