ECLI:NL:CRVB:2020:756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellant, geboren in 1986, ontvangt sinds 2005 een Wajong-uitkering vanwege ernstige medische beperkingen. Het UWV stelde in 2017 vast dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat medisch onderzoek en rapporten van verzekeringsartsen geen aanleiding gaven tot twijfel over zijn arbeidsvermogen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij niet in staat is om ten minste een uur aaneengesloten te werken en vier uur per dag belastbaar is. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke verzekeringsarts, verwijzend naar het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht die zijn stelling onderbouwt en dat de bestaande medische stukken voldoende waren betrokken bij het oordeel van het UWV.
De Raad bevestigde dat het beginsel van equality of arms niet is geschonden, omdat appellant voldoende gelegenheid had om medische stukken in te dienen en de verzekeringsartsen van het UWV deze informatie hebben betrokken. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen wordt bevestigd.