Appellant betwistte de verhoging van de AOW-leeftijd met negen maanden en stelde dat dit leidde tot een onevenredig zware last, waardoor hij zijn AOW-pensioen vanaf zijn 65ste verjaardag wilde ontvangen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een overbruggingsuitkering toe voor de laatste vier maanden van het AOW-gat, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat niet was gebleken dat appellant een onevenredig zware last droeg.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd met ingang van 1 januari 2016 een inkomensterugval had van circa €4.500,- en dat zijn lijfrentepolis was uitgeput, waardoor hij spaargeld moest aanspreken. De Raad oordeelde dat de Svb een deugdelijk individueel feitenonderzoek had moeten verrichten, maar dat appellant onvoldoende gegevens had aangeleverd om een onevenredig zware last aan te tonen.
De Raad stelde vast dat de versnelde AOW-verhoging een inmenging in het eigendomsrecht is, die in het algemeen proportioneel is, maar in concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last. In dit geval was de situatie van appellant niet schrijnend genoeg om dat aan te nemen. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak wegens onvoldoende zorgvuldigheid in de voorbereiding, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Daarnaast veroordeelde de Raad de Svb in de proceskosten van appellant en bepaalde dat de betaalde griffierechten worden vergoed.