Uitspraak
18.274 AOW, 18/2053 AOW
OVERWEGINGEN
10 oktober 2017 is ongeveer € 500,- netto per maand. Hij heeft moeten interen op zijn spaargeld. Voorts is volgens betrokkene een verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, geboren in 1952, kreeg vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd een AOW-gat van negen maanden waarvoor een overbruggingsuitkering (OBR) werd toegekend. Hij maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen en stelde dat de verhoging een onevenredig zware last opleverde in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) omdat het onderzoek naar de onevenredig zware last onvoldoende was en gaf opdracht tot een nieuw besluit. In hoger beroep stelde de Svb dat zij inmiddels een uitgebreider individueel feitenonderzoek verricht, waarbij ook de inkomens- en vermogenspositie tijdens het AOW-gat wordt betrokken.
De Raad oordeelt dat de enkele toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende is, maar dat de huidige werkwijze van de Svb voldoet aan het vereiste van een deugdelijk individueel feitenonderzoek. De situatie van betrokkene was niet schrijnend genoeg om van een onevenredig zware last te spreken. Het beroep op leeftijdsdiscriminatie wordt eveneens verworpen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand en veroordeelt de Svb in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de Svb een deugdelijk individueel feitenonderzoek heeft verricht en wijst het incidenteel hoger beroep af.