Appellant, een voormalig dienstplichtig militair die in 1981-1982 werd uitgezonden naar Libanon, verzocht in 2008 en opnieuw in 2016 om toekenning van een militair invaliditeitspensioen wegens psychische klachten en middelenmisbruik die hij toeschreef aan zijn uitzending.
Na diverse medische onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en psychiaters, werd geconcludeerd dat er geen dienstverbandaandoening of PTSS aanwezig was en dat het middelenmisbruik niet in verband stond met de militaire dienst of uitzending. De staatssecretaris wees de aanvragen af, waarop appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit gebaseerd was op zorgvuldige, consistente medische rapporten en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die het causaal verband konden aantonen.
Het hoger beroep faalde, waarna de Raad de afwijzing van het militair invaliditeitspensioen bekrachtigde. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.