De zaak betreft een hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Gelderland over het verhaal van WW-uitkeringen door het UWV aan een overheidswerkgever (appellante). De kern van het geschil is de wijze waarop het UWV de eindejaarsuitkeringen van een werknemer toerekent bij de vaststelling van het inkomen voor de WW-uitkering.
Appellante stelde dat het UWV de eindejaarsuitkeringen had moeten toerekenen aan de maanden waarin deze zijn opgebouwd, conform artikel 4:1, achtste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). De rechtbank oordeelde dat het UWV niet verplicht was hiervan gebruik te maken en dat het belang van snelle vaststelling van de WW-uitkering zwaarder woog.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak. De Raad oordeelt dat de bezwaren tegen het verhaal van de WW-uitkering op grond van artikel 129b van de WW niet tot gegrondverklaring kunnen leiden en bevestigt dat het UWV binnen zijn discretionaire bevoegdheid heeft gehandeld. Tevens wordt geoordeeld dat de brief van 14 juli 2017 wel als besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt, waardoor het beroep tegen dat besluit inhoudelijk wordt behandeld.
De Raad verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond, vernietigt deze besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 juli 2017 in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.