ECLI:NL:CRVB:2021:1020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waarschuwing wegens schending inlichtingenverplichting bij nabetaling WW-uitkering
Appellant ontving tot januari 2016 een WW-uitkering en daarna bijstand op grond van de Participatiewet. In 2017 ontving appellant een nabetaling van de WW-uitkering die hij niet onverwijld aan het college meldde. Het college kwalificeerde deze nabetaling als vermogen en gaf een waarschuwing wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de nabetaling uitgesteld inkomen was en geen vermogen, en dat het college ten onrechte een waarschuwing gaf zonder hem vooraf te horen.
De Raad oordeelde dat de nabetaling inderdaad uitgesteld inkomen is, maar dat deze op grond van de Participatiewet als vermogen moet worden aangemerkt omdat de betaling buiten de bijstandsperiode valt. De waarschuwing was terecht omdat appellant niet uit eigen beweging en onverwijld de nabetaling had gemeld. Ook was het college niet verplicht appellant vooraf te horen bij het opleggen van de waarschuwing.
Verder faalde het beroep op verwijzing naar een meervoudige kamer. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabetaling van de WW-uitkering als vermogen moet worden aangemerkt en wijst het hoger beroep af.