Uitspraak
20.1865 AOW, 20/1866 AOW
OVERWEGINGEN
altijdbinnen [vier weken Nederland, zes weken buiten Nederland] aan ons door.” De echtgenote van betrokkene had per maand wisselende inkomsten en genoot deze als zelfstandige.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving een toeslag op grond van de AOW voor zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde in 2018 vast dat de toeslag vanaf juni 2015 te hoog was vastgesteld vanwege het inkomen van de echtgenote uit een persoonsgebonden budget (pgb). De Svb herzag het besluit en vorderde het teveel betaalde bedrag terug, inclusief een boete. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete gegrond, maar wees het beroep tegen de herziening en terugvordering af.
In hoger beroep betwistten appellanten dat betrokkene de inlichtingenplicht had geschonden en voerden zij aan dat de Svb onterecht de indruk had gewekt dat inkomsten niet hoefden te worden doorgegeven. De Raad overwoog dat het voor betrokkene en zijn echtgenote duidelijk had moeten zijn dat de toeslag te hoog was vanwege de substantiële pgb-inkomsten. De Svb had haar vaste gedragslijn, gebaseerd op het oude 3:4-beleid van de Awb, consistent toegepast.
De Raad oordeelde dat er geen dringende redenen waren om af te zien van herziening of terugvordering. Ook het beroep op een nieuwe gedragslijn leidde niet tot matiging. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag en wijst het hoger beroep af.