Appellant, sinds 2000 Wajong-uitkeringsgerechtigde vanwege visuele en motorische klachten, kreeg bij besluit van het UWV een verlaging van zijn uitkering op grond van de Wajong 2015. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de SMBA-methode als ondersteunend systeem rechtens aanvaardbaar is en het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen arbeidsvermogen heeft en dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat, met name ten aanzien van staan bij de voorbeeldtaak handmatig afwassen. Hij verzocht tevens om benoeming van een deskundige op grond van het arrest Korošec. Het UWV verzocht bevestiging van de uitspraak.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de SMBA-methode en de zorgvuldigheid van de besluitvorming. Er was geen sprake van belemmeringen voor appellant om zijn standpunt te onderbouwen, waardoor het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De medische en arbeidskundige beoordelingen waren inzichtelijk en toereikend gemotiveerd, en appellant overlegde geen nieuwe medische informatie.
De Raad concludeerde dat appellant arbeidsvermogen bezit en dat de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 terecht is. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.