Appellant ontving vanaf oktober 2013 een WW-uitkering. Het UWV legde meerdere verlagingen op wegens onvoldoende sollicitatiegedrag in verschillende periodes, waaronder een verlaging van 100% voor vier maanden vanaf oktober 2015. Appellant voerde aan dat psychische klachten hem belemmerden in het voldoen aan zijn sollicitatieplicht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant medisch gezien in de relevante periode wel kon solliciteren en dat er geen dringende reden was om af te zien van een maatregel. In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat zijn psychische klachten een verschoonbare omstandigheid vormden.
De Raad overwoog dat het gewijzigde standpunt van het UWV een verlaging van 37,50% oplegt in plaats van 100%. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant niet medisch was verhinderd om te solliciteren en dat er geen dringende reden was om af te zien van de maatregel. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de uitkering met 37,50% wordt verlaagd voor vier maanden vanaf 5 oktober 2015.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 mei 2021.