ECLI:NL:CRVB:2021:1152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplicht na intrekking WW-uitkering
Appellant vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding vanuit een WW-uitkering. Het UWV had de WW-uitkering ingetrokken en vastgesteld dat appellant niet verzekerd was voor de WIA. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat vaststond dat appellant geen werknemer was in de zin van de Wet WIA en niet verzekerd was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat ook eerdere dienstverbanden recht op WIA-uitkering zouden geven en dat de hoorplicht was geschonden. De Raad oordeelde dat appellant zijn verzekeringsplicht niet kan ontlenen aan artikel 7 ZW Pro en artikel 8 Wet Pro WIA, nu de WW-uitkering is ingetrokken. Eerdere dienstverbanden gaven geen aanspraak op WW en waren langer dan vier weken voor de ziekmelding beëindigd, waardoor ook geen nawerking van de ZW van toepassing is.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht van hoorplicht heeft afgezien, omdat het bezwaar ongegrond was en er geen redelijke twijfel bestond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij niet verzekerd is na intrekking van zijn WW-uitkering.